Gewend aan fysieke klachten

Ben je van je klacht af, of ben je eraan gewend geraakt?

Een stijve onderrug bij het opstaan.

Een knie die je iedere keer voelt wanneer je de trap afloopt.

Een nek die aan het einde van een werkdag vastzit.

Een schouder die niet meer zo vrij beweegt als vroeger.

Of een lichaam dat steeds meer tijd nodig heeft om op gang te komen en te herstellen.

Veel fysieke ongemakken ontstaan niet van de ene op de andere dag. Ze ontwikkelen zich geleidelijk. Soms worden ze erger, soms verdwijnen ze tijdelijk naar de achtergrond. Ondertussen passen we ons aan.

We bukken iets anders. Vermijden bepaalde bewegingen. Gaan minder ver wandelen. Stoppen met een sport die niet meer prettig voelt. Staan anders op uit een stoel. Of accepteren dat bewegen nu eenmaal minder gemakkelijk gaat dan vroeger.

Daarbij horen vaak geruststellende gedachten:

“Het zal wel bij het ouder worden horen.”

“Iedereen heeft toch weleens ergens last van?”

“Waarschijnlijk gaat het vanzelf weer over.”

“Ik leer er wel mee leven.”

Misschien klopt dat soms. Niet ieder pijntje vraagt direct om onderzoek of begeleiding. Het menselijk lichaam is veerkrachtig en tijdelijke ongemakken kunnen vanzelf herstellen.

Maar wanneer een klacht steeds terugkomt, langzaam toeneemt of invloed krijgt op de manier waarop je beweegt en leeft, ontstaat een andere vraag:

Is de klacht werkelijk verdwenen, of ben je eraan gewend geraakt?


Wanneer fysiek ongemak normaal begint te voelen

Mensen zijn bijzonder goed in aanpassen.

Dat vermogen helpt ons omgaan met veranderingen, belasting en tegenslagen. Wanneer een beweging ongemakkelijk wordt, zoekt het lichaam vaak een andere manier om dezelfde taak uit te voeren.

Wanneer bukken gevoelig is, buigen we misschien minder diep.

Wanneer wandelen klachten geeft, worden de afstanden korter.

Wanneer één schouder beperkt beweegt, gebruiken we de andere arm meer.

Wanneer op de grond zitten lastig wordt, doen we het steeds minder.

Wanneer sporten niet meer prettig voelt, kiezen we activiteiten waarbij we minder met onze beperking worden geconfronteerd.

Na verloop van tijd kan die aangepaste manier van bewegen normaal gaan voelen.

Niet noodzakelijk omdat het lichaam beter is gaan functioneren, maar omdat onze grens van wat we als normaal beschouwen langzaam is verschoven.

Ook onze verwachtingen passen zich aan:

“Mijn rug is gewoon mijn zwakke plek.”

“Mijn knieën zijn versleten.”

“Ik ben nu eenmaal stijf.”

“Op mijn leeftijd hoort dit erbij.”

“Dit is gewoon mijn lichaam.”

Het ongemak is misschien nog steeds aanwezig, maar wordt niet langer actief als een klacht ervaren. We hebben onze bewegingen, activiteiten en verwachtingen aangepast aan wat het lichaam op dat moment toelaat.

Dat hoeft niet altijd verkeerd te zijn. Niet ieder fysiek ongemak is volledig veranderbaar en volledige pijnvrijheid kan nooit worden gegarandeerd. Soms helpt acceptatie om niet voortdurend tegen de huidige situatie te vechten.

Maar er bestaat een verschil tussen acceptatie en berusting.

Acceptatie kan betekenen:

“Dit is waar ik nu sta. Ik erken wat er is en onderzoek van daaruit wat nog mogelijk is.”

Berusting klinkt eerder als:

“Het zal wel zo blijven. Ik kan er waarschijnlijk toch niets aan veranderen.”

Acceptatie kan rust geven. Berusting kan mogelijkheden afsluiten.


Hoe comfortabel ben je geworden met je discomfort?

Comfort wordt meestal als iets positiefs gezien.

We zoeken een comfortabele stoel, een prettig bed en een leven met zo min mogelijk pijn, moeite en ongemak.

Dat is begrijpelijk.

Maar comfort is niet automatisch hetzelfde als gezondheid, ontwikkeling of vrijheid.

Wanneer bewegen ongemakkelijk voelt, is minder bewegen op korte termijn vaak comfortabeler.

Wanneer een nieuwe manier van bewegen aandacht vraagt, voelt terugvallen op het vertrouwde patroon gemakkelijker.

Wanneer verandering tijd, energie en herhaling vraagt, is niets veranderen de weg van de minste weerstand.

Het directe voordeel is duidelijk: je hoeft vandaag geen extra moeite te doen.

De mogelijke prijs wordt vaak pas later zichtbaar.

Misschien wordt de wandeling ieder jaar iets korter.

Misschien speel je minder gemakkelijk op de grond met je kinderen of kleinkinderen.

Misschien stop je met hardlopen.

Misschien laat je bepaalde klussen voortaan aan iemand anders over.

Misschien kies je je vakantie niet meer op basis van wat je graag wilt doen, maar op basis van wat je lichaam nog aankan.

Dat gebeurt meestal niet door één grote beslissing.

Het ontstaat door een reeks kleine aanpassingen.

Zo kan comfort op de korte termijn langzaam ten koste gaan van bewegingsvrijheid op de lange termijn.

De vraag is daarom niet:

Hoe voorkom ik ieder gevoel van discomfort?

Maar:

Welk tijdelijk discomfort ben ik bereid aan te gaan om mijn mogelijkheden op de lange termijn te vergroten?


Verandering vraagt om voldoende innerlijke wrijving

Om iets te veranderen, moet er meestal voldoende verschil worden ervaren tussen de huidige situatie en de situatie waar iemand naartoe wil.

Er moet een reden zijn om in beweging te komen.

Dat kan frustratie zijn omdat dezelfde klacht steeds terugkomt.

Irritatie omdat je iedere ochtend eerst moet “loskomen”.

Ergernis omdat je lichaam niet meer doet wat je ervan verwacht.

Onzekerheid over je houding of de manier waarop je beweegt.

Of het besef dat steeds meer activiteiten worden vermeden.

Soms kan ook schaamte een rol spelen.

Schaamte kan confronterend zijn en iemand bewust maken van iets waar diegene niet langer tevreden mee is. Maar wanneer schaamte verandert in zelfafwijzing of het gevoel dat iemand zelf schuldig is aan zijn fysieke situatie, kan zij ook verlammen.

Je hoeft je lichaam niet af te wijzen om het te willen veranderen.

Misschien is gezonde ontevredenheid een betere omschrijving.

Niet:

“Mijn lichaam is niet goed genoeg.”

Maar:

“Mijn lichaam functioneert niet zoals ik zou willen en ik ben bereid te onderzoeken wat er nog mogelijk is.”

Er mag enige wrijving bestaan tussen waar je nu bent en waar je naartoe wilt.

Wanneer ieder ongemak direct wordt weggewuifd, genormaliseerd of volledig wordt geaccepteerd als onvermijdelijk, verdwijnt mogelijk ook de interne noodzaak om iets te veranderen.

Zolang de huidige situatie comfortabel genoeg voelt, is de bereidheid om tijd, aandacht en energie te investeren vaak klein.

Dat is menselijk.

Maar het kan waardevol zijn om jezelf af te vragen:

Ben ik werkelijk tevreden met hoe mijn lichaam functioneert, of heb ik mijn verwachtingen aangepast aan mijn beperkingen?


Discomfort betekent niet dat je door pijn heen moet trainen

Bereid zijn om discomfort aan te gaan betekent niet dat je pijn moet negeren.

Het betekent niet dat je harder moet trainen.

Niet dat je meer moet afzien.

En ook niet dat je jezelf door lichamelijke signalen heen moet dwingen.

Discomfort kan ook betekenen:

  • erkennen dat een fysieke beperking meer invloed op je leven heeft dan je graag toegeeft;
  • aandacht geven aan iets wat je lange tijd hebt vermeden;
  • tijd vrijmaken om aan je lichaam te werken;
  • kritisch kijken naar vertrouwde ideeën over training;
  • een nieuwe bewegingsvaardigheid leren die in het begin vreemd voelt;
  • accepteren dat bewust bewegen mentale energie vraagt;
  • geduld hebben wanneer verandering niet onmiddellijk zichtbaar is;
  • verantwoordelijkheid nemen voor het proces zonder jezelf de schuld te geven van de huidige situatie.

Nieuwe bewegingsvaardigheden vragen aandacht en herhaling.

Het brein en lichaam moeten leren om beweging anders te organiseren. Dat gebeurt niet altijd onmiddellijk en het nieuwe voelt niet automatisch direct natuurlijk.

Wat vertrouwd voelt, is namelijk niet noodzakelijk wat goed functioneert.

Het is vaak simpelweg datgene wat het lichaam het vaakst heeft herhaald.


Maar wat als iemand al van alles heeft geprobeerd?

Niet iedereen die zich bij een klacht lijkt neer te leggen, kiest voor gemak.

Sommige mensen hebben jarenlang geprobeerd om verandering te creëren.

Ze zijn naar verschillende behandelaars geweest.

Hebben spieren laten masseren.

Zijn gemobiliseerd.

Hebben hun core getraind.

Hebben spieren gerekt.

Zijn sterker gaan worden.

Hebben dagelijks oefeningen uitgevoerd.

Zijn begonnen met fitness.

Soms hielp het.

Maar slechts tijdelijk.

Na een behandeling voelde het lichaam een paar dagen soepeler, waarna de klacht terugkwam.

Een oefening gaf tijdelijk verlichting, maar moest iedere dag worden uitgevoerd om het effect vast te houden.

Het trainingsprogramma bestond uiteindelijk uit zo veel losse oefeningen dat het naast werk, gezin en andere verantwoordelijkheden nauwelijks vol te houden was.

Of iemand werd sterker, maar merkte dat de manier van staan, wandelen of bewegen nauwelijks veranderde.

Na meerdere teleurstellingen kan iemand uiteindelijk denken:

“Misschien moet ik hier gewoon mee leren leven.”

Dat is niet noodzakelijk een gebrek aan motivatie.

Het kan ook het gevolg zijn van vermoeidheid, teleurstelling of het verlies van vertrouwen dat duurzame verandering nog mogelijk is.

Binnen de wetenschap wordt het vertrouwen dat iemand heeft in zijn vermogen om invloed uit te oefenen op zijn functioneren vaak self-efficacy genoemd. Onderzoek laat zien dat self-efficacy samenhangt met het functioneren en de ervaren beperkingen van mensen met langdurige musculoskeletale pijn.

De boodschap:

“Je moet het gewoon graag genoeg willen”

is daarom te eenvoudig.

Mensen moeten bereid zijn om aan verandering te werken.

Maar de gekozen aanpak moet die investering ook waard zijn.


Wat als de training zelf niet aansluit op menselijke beweging?

Bewegen wordt vrijwel altijd geadviseerd.

En wanneer mensen sterker willen worden of van fysieke klachten af willen komen, belanden ze vaak in de reguliere fitness.

Daar leren ze squatten.

Deadliften.

Drukken.

Trekken.

Spieren geïsoleerd trainen.

Of hun lichaam onder steeds meer externe belasting te stabiliseren.

Dat kan leiden tot meer spiermassa, meer kracht en het vermogen om meer gewicht te verplaatsen.

Maar wanneer het doel is om de kwaliteit van menselijke beweging te verbeteren, is meer kracht niet automatisch het antwoord.

De belangrijkste vraag is:

Lijkt de manier waarop je traint op de manier waarop het menselijk lichaam is georganiseerd om te bewegen?


Suboptimaal blijft suboptimaal

Bewegen is goed voor je.

Daarom lijkt het logisch om te denken dat iedere vorm van training automatisch een stap in de goede richting is.

Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Een glas water drinken is gezond. Het ondersteunt je lichaam, hydrateert en is verstandig om te doen. Maar wanneer er vervuiling in dat glas terechtkomt, verandert de situatie. Het blijft water, maar het is niet meer optimaal om te drinken.

Zo kun je ook naar training kijken.

Reguliere fitness bevat zeker elementen die op zichzelf positief lijken: je beweegt, je belast spieren, je wordt misschien sterker en je doet iets actiefs voor je gezondheid.

Maar wanneer die training tegelijk bewegingspatronen versterkt die niet overeenkomen met efficiënte menselijke beweging, ontstaat er een optelsom van suboptimale prikkels.

Niet één keer.

Maar herhaaldelijk.

Week na week.

Jaar na jaar.

Wanneer iemand al niet optimaal staat, loopt of beweegt, kan training die deze patronen niet verbetert — en mogelijk zelfs verder versterkt — op termijn meer problemen creëren dan oplossen.

Je wordt misschien sterker.

Je presteert misschien beter binnen de oefening.

Je kunt misschien meer gewicht verplaatsen.

Maar als de onderliggende organisatie van je beweging niet verbetert, optimaliseer je het systeem niet.

Dan voeg je vooral belasting toe aan een lichaam dat al suboptimaal beweegt.

En hoe vaker je dat herhaalt, hoe groter de optelsom wordt.

De vraag is daarom niet alleen:

“Is bewegen beter dan niets doen?”

Vaak wel.

De betere vraag is:

“Welke kwaliteit van beweging ben ik aan het herhalen, versterken en opslaan in mijn lichaam?”

Want wanneer je slecht beweegt en daar steeds meer belasting aan toevoegt, train je niet automatisch richting gezondheid.

Je traint vooral je bestaande patroon dieper in.


Het menselijk lichaam beweegt niet alleen voor- en achterwaarts

Veel traditionele fitnessoefeningen vinden hoofdzakelijk plaats in het sagittale vlak.

Bij een squat of deadlift staan beide voeten relatief symmetrisch naast elkaar. De heupen en knieën buigen en strekken en het lichaam beweegt voornamelijk omhoog en omlaag of voor- en achterwaarts.

Maar menselijke voortbeweging werkt anders.

Tijdens wandelen en rennen:

  • wordt het lichaamsgewicht voortdurend van het ene been naar het andere verplaatst;
  • beweegt het bekken;
  • roteert de borstkas ten opzichte van het bekken;
  • werken de armen en benen contralateraal samen;
  • verandert de voet gedurende de verschillende fases van de loopcyclus van vorm en functie;
  • worden krachten opgevangen, door het lichaam overgedragen en opnieuw gebruikt;
  • beweegt het lichaam gelijktijdig door meerdere bewegingsvlakken.

Lopen is dus geen reeks kleine squats.

Het is een driedimensionaal, ritmisch en contralateraal bewegingspatroon.

Onderzoek naar de menselijke loopcyclus beschrijft de samenwerking tussen de rotaties van het bekken en de borstkas. De onderlinge coördinatie verandert bovendien wanneer de loopsnelheid toeneemt.

Ook buiten het sagittale vlak wordt betekenisvol werk verricht. Zo laat driedimensionale analyse van wandelen zien dat het frontale en transversale vlak functionele rollen vervullen binnen de loopcyclus.

Wanneer training voornamelijk bestaat uit symmetrische, bilaterale bewegingen in het sagittale vlak, wordt het lichaam niet specifiek getraind in de complexe samenwerking die nodig is voor efficiënte menselijke voortbeweging.


Je kunt sterker worden binnen een slecht bewegingspatroon

Stel dat iemand tijdens het lopen:

  • één voet verder naar buiten draait;
  • onvoldoende gewicht naar één been verplaatst;
  • het bekken asymmetrisch beweegt;
  • weinig rotatie tussen het bekken en de borstkas laat zien;
  • één arm nauwelijks laat meebewegen;
  • aan één zijde onvoldoende kracht opvangt of overdraagt.

Wanneer deze persoon vervolgens sterker wordt door voornamelijk symmetrische oefeningen uit te voeren, hoeft die manier van lopen niet te verbeteren.

De spieren kunnen sterker worden.

Het gewicht op de stang kan toenemen.

De squat kan zwaarder worden.

De deadlift kan technisch consistenter worden.

Maar daarmee verbetert de loopcyclus niet automatisch.

De rotatie tussen het bekken en de borstkas wordt niet vanzelf beter.

De contralaterale samenwerking tussen de armen en benen wordt niet specifiek ontwikkeld.

Een asymmetrische gewichtsverdeling verdwijnt niet omdat iemand meer gewicht kan tillen.

Je wordt vooral beter in datgene wat je herhaaldelijk traint.

Wanneer je squat, word je beter in squatten.

Wanneer je deadlift, word je beter in deadliften.

Maar wanneer het doel beter staan, wandelen of rennen is, moet de training worden beoordeeld op de invloed die zij heeft op die bewegingen.

Meer kracht wordt altijd opgebouwd binnen de manier waarop het lichaam zich op dat moment organiseert.

Wanneer die organisatie inefficiënt is, kan extra belasting het bestaande patroon verder versterken.

Het lichaam wordt dan niet noodzakelijk beter in bewegen.

Het kan vooral beter worden in kracht produceren binnen de compensaties die al aanwezig waren.


Het mechanische probleem van de deadlift

De deadlift wordt vaak beschreven als een oefening voor de bilspieren, hamstrings en de achterzijde van het lichaam.

Maar alleen benoemen welke spieren actief zijn, vertelt niet hoe de belasting door het gehele lichaam wordt verwerkt.

Tijdens het optillen van het gewicht leveren de heupextensoren kracht om de heup vanuit een gebogen positie te strekken.

Naarmate iemand de rechtopstaande eindpositie nadert, verandert de mechanische situatie.

De externe momentarm van de belasting rond de heup wordt kleiner. De bilspieren bevinden zich dichter bij hun verkorte positie en er blijft steeds minder heupextensie over om te produceren.

Toch wordt vaak aangemoedigd om de beweging krachtig af te maken:

“Duw de heupen naar voren.”

“Knijp de billen hard samen.”

“Maak de lock-out af.”

Maar wanneer de heup vrijwel volledig gestrekt is, kan verdere voorwaartse verplaatsing van het bekken niet onbeperkt uit de heup komen.

Wanneer iemand de eindpositie creëert door het bekken verder naar voren te duwen, de borstkas op te tillen of de onderrug verder te strekken, kan de beweging verschuiven naar een strategie waarin de lumbale wervelkolom meer extensie en belasting verwerkt.

De bilspieren kunnen daarbij nog steeds sterk worden aangespannen en gevoeld.

Maar spieractiviteit is niet hetzelfde als mechanisch effectieve krachtproductie.

Dat een spier brandt of actief is, betekent niet automatisch dat de positie waarin zij wordt gebruikt bijdraagt aan een betere organisatie van het lichaam.

De vraag is daarom niet alleen:

“Voel je de bilspieren?”

Maar:

“Welke mechanische relatie ontstaat er tussen de voeten, het bekken, de wervelkolom en de rest van het lichaam?”

Onderzoek naar deadlifts laat zien dat zware uitvoeringen aanzienlijke compressie- en schuifkrachten op de wervelkolom kunnen veroorzaken. Een overzicht rapporteerde bij zware deadlifts geschatte compressiekrachten van ongeveer 5 tot 18 kilonewton en schuifkrachten van ongeveer 1,3 tot 3,2 kilonewton.

Belasting is niet automatisch schadelijk. Het lichaam heeft mechanische belasting nodig om zich aan te passen.

Maar méér compressie is niet automatisch een betere voorbereiding op menselijke voortbeweging.


Een stijve romp is niet hetzelfde als een goed georganiseerde romp

Bij een zwaar belaste deadlift wordt de romp vaak zo stijf mogelijk gemaakt.

De buikdruk wordt verhoogd.

De spieren rond de wervelkolom spannen aan.

Beweging van de romp wordt beperkt om het gewicht gecontroleerd te kunnen verplaatsen.

Het lichaam wordt daarmee getraind om onder hoge externe belasting weerstand te bieden aan beweging.

Maar tijdens wandelen en rennen moet de romp niet functioneren als één stijve eenheid.

Het bekken en de borstkas moeten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen.

De wervelkolom moet krachten tussen links en rechts kunnen overdragen.

De ribbenkast moet zich organiseren in relatie tot de ademhaling, armbeweging en beweging van het bekken.

De romp heeft niet alleen stabiliteit nodig.

Zij heeft georganiseerde beweging nodig.

Onderzoek laat zien dat mensen met lage-rugklachten tijdens sneller wandelen een stijver of meer gelijktijdig bewegingspatroon tussen bekken en borstkas kunnen laten zien, met minder tegenrotatie. Dat bewijst niet dat stijfheid altijd de oorzaak van rugpijn is, maar laat wel zien dat rompcoördinatie onderdeel is van de manier waarop mensen lopen.

Een lichaam dat veel gewicht kan weerstaan, is niet automatisch een lichaam dat efficiënt kan wandelen of rennen.


Wanneer training bestaande compensaties verder versterkt

Het lichaam vindt altijd een manier om een taak uit te voeren.

Wanneer bepaalde delen onvoldoende bijdragen, nemen andere delen beweging of belasting over.

Dat noemen we compensatie.

Een compensatie is niet per definitie een fout. Het is vaak een oplossing waarmee het lichaam blijft functioneren.

Maar wanneer hetzelfde patroon duizenden keren per dag wordt herhaald, past het lichaam zich aan die manier van bewegen aan.

Wanneer vervolgens zware belasting wordt toegevoegd zonder eerst te onderzoeken hoe het lichaam krachten verdeelt, kan het bestaande patroon verder worden belast en versterkt.

Wanneer iemand voornamelijk:

  • zware bilaterale bewegingen uitvoert;
  • sagittale kracht ontwikkelt;
  • rotatie beperkt;
  • de romp steeds stijver maakt;
  • de wervelkolom onder toenemende compressie stabiliseert;
  • en weinig aandacht besteedt aan de driedimensionale organisatie van lopen en rennen;

is er geen vanzelfsprekende reden waarom de loopcyclus hierdoor beter zou worden.

Vanuit de Functional Patterns-benadering kan het bewegingspatroon juist verder af komen te staan van efficiënte menselijke voortbeweging.

Niet omdat kracht op zichzelf slecht is.

Maar omdat kracht nooit losstaat van het patroon waarin zij wordt ontwikkeld.

Wanneer de mechanica niet verbetert, kan meer kracht ook meer kracht binnen dezelfde compensatie betekenen.


Trainen vanuit de fundamentele menselijke bewegingen

Binnen Functional Patterns wordt uitgegaan van vier fundamentele menselijke bewegingspatronen:

  1. staan;
  2. wandelen;
  3. rennen;
  4. gooien.

Deze bewegingen worden niet gezien als losse vaardigheden.

Ze vormen een onderling verbonden systeem.

De manier waarop iemand staat, beïnvloedt de positie van waaruit diegene beweegt.

De manier waarop iemand wandelt, laat zien hoe het lichaam gewicht verplaatst, rotatie organiseert en krachten van de ene zijde naar de andere overdraagt.

Rennen vergroot de snelheid en de krachten die het lichaam moet verwerken.

Gooien vraagt om een krachtige overdracht van energie vanuit de grond, via de benen, het bekken en de romp naar de arm.

Binnen deze bewegingen zien we steeds terug:

  • contralaterale samenwerking tussen armen en benen;
  • rotatie tussen bekken en borstkas;
  • driedimensionale beweging;
  • afwisselende belasting van links en rechts;
  • het opbouwen, overdragen en vrijgeven van spanning;
  • samenwerking tussen verschillende lichaamsdelen;
  • het benutten van de elastische eigenschappen van spieren en bindweefsel.

Daarom wordt binnen Functional Patterns niet alleen gevraagd:

“Maakt deze oefening een spier sterker?”

Maar:

“Draagt deze oefening bij aan een betere organisatie van menselijke beweging?”

Het doel is niet om iemand beter te maken in willekeurig gekozen oefeningen.

Training is het middel.

Beter menselijk bewegen is het doel.


Kijk naar het resultaat

Een trainingsmethode kan logisch klinken.

Een oefening kan zwaar voelen.

Een programma kan wetenschappelijke termen gebruiken.

Maar uiteindelijk blijft een belangrijke vraag bestaan:

Wat verandert er daadwerkelijk?

Wordt iemand alleen beter in de oefeningen die worden getraind?

Of verandert ook de manier waarop iemand staat en beweegt?

Kan iemand meer gewicht tillen?

Of worden wandelen, rennen en dagelijkse bewegingen ook efficiënter?

Wordt een klacht tijdelijk onderdrukt?

Of verandert er iets aan de omstandigheden waarin die klacht steeds terugkeert?

Moet iemand dagelijks een lange lijst oefeningen blijven uitvoeren om zich redelijk te voelen?

Of wordt de nieuwe organisatie steeds meer onderdeel van de manier waarop het lichaam beweegt?

Het resultaat verdient een centrale plaats in de beoordeling van een trainingsmethode.

Niet alleen de theorie.

Niet alleen spieractiviteit.

Niet alleen het gewicht op de stang.

Niet alleen de ervaring direct na een behandeling.

Maar de zichtbare en merkbare verandering in het functioneren van de mens als geheel.

 

 


Functional Patterns en practice-based evidence

Functional Patterns heeft wereldwijd duizenden praktijkresultaten gedocumenteerd.

Daarbij worden veranderingen zichtbaar gemaakt in onder andere:

  • houding;
  • lichamelijke asymmetrieën;
  • bewegingsmogelijkheden;
  • lichaamsverhoudingen;
  • de manier waarop mensen staan;
  • de manier waarop mensen wandelen en rennen;
  • en de ervaringen van mensen met fysieke klachten en beperkingen.

Deze resultaten zijn practice-based evidence.

Ze komen voort uit jarenlang observeren, analyseren, toepassen, aanpassen en documenteren in de praktijk.

Een voor-en-nafoto is geen gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek.

Een video kan niet alle factoren aantonen die aan een verandering hebben bijgedragen.

En individuele resultaten bieden geen garantie dat ieder mens hetzelfde resultaat bereikt.

Maar duizenden gedocumenteerde voorbeelden zijn ook niet hetzelfde als één losse ervaring of anekdote.

Wanneer vergelijkbare principes door trainers op verschillende plaatsen ter wereld worden toegepast en herhaaldelijk zichtbare veranderingen laten zien, ontstaat een omvangrijke verzameling praktijkkennis.

Die praktijkkennis verdient het om serieus bekeken en verder onderzocht te worden.

Practice-based evidence is bovendien geen zelfverzonnen tegenstelling van evidence-based werken. Binnen de wetenschappelijke literatuur wordt al langer besproken dat onderzoek niet alleen moet vragen hoe kennis vanuit studies naar de praktijk wordt gebracht, maar ook welke kennis vanuit de praktijk kan ontstaan.

Wetenschappelijk onderzoek en praktijkresultaten hoeven geen tegenpolen te zijn.

Wetenschap kan hypotheses toetsen, mechanismen onderzoeken en methoden onder gecontroleerde omstandigheden vergelijken.

De praktijk kan patronen zichtbaar maken, nieuwe vragen oproepen en laten zien welke veranderingen buiten een laboratorium mogelijk lijken.

De praktijk mag vragen stellen aan de wetenschap.

En de wetenschap mag kritisch blijven kijken naar wat in de praktijk zichtbaar wordt.

Maar het ontbreken van grootschalig onderzoek naar een complete methodiek betekent niet automatisch dat duizenden gedocumenteerde praktijkresultaten zonder waarde zijn.

Kijk naar de resultaten.

Onderzoek hoe ze tot stand komen.

Stel kritische vragen.

Maar durf ook kritisch te kijken naar methoden die al tientallen jaren als normaal worden beschouwd.


Niet iedere vorm van discomfort brengt je dichter bij verandering

Wanneer iemand besluit om niet langer genoegen te nemen met een fysieke beperking, betekent dat niet dat iedere vorm van hard werken automatisch de juiste richting is.

Meer doen is niet altijd beter.

Zwaarder trainen is niet automatisch beter.

Meer oefeningen uitvoeren is niet automatisch beter.

Meer afzien is niet automatisch beter.

Discomfort krijgt pas betekenis wanneer de inspanning bijdraagt aan de gewenste aanpassing.

Wanneer je maandenlang harder traint maar je bewegingspatroon niet verbetert, mag je kritisch kijken naar de gekozen aanpak.

Wanneer je sterker wordt maar steeds stijver beweegt, mag je vragen stellen.

Wanneer je iedere dag oefeningen nodig hebt om dezelfde klacht tijdelijk te onderdrukken, mag je onderzoeken waarom het effect niet beklijft.

Wanneer een methode vooral meet hoeveel gewicht je kunt verplaatsen, terwijl jouw doel beter bewegen is, mag je je afvragen of het juiste resultaat wordt gemeten.

De bereidheid om te veranderen is belangrijk.

Maar die bereidheid verdient een aanpak die niet alleen meer belasting toevoegt aan het bestaande lichaam.

De training moet proberen de manier waarop het lichaam zich organiseert daadwerkelijk te veranderen.


Welke prijs betaal je voor comfort?

Misschien is je fysieke ongemak op dit moment nog klein.

Je kunt ermee werken.

Je kunt ermee wandelen.

Je kunt nog sporten.

Je kunt alles doen wat noodzakelijk is.

Maar is “ik kan nog alles doen” de maatstaf?

Of wil je ook vrij kunnen bewegen?

Spelen?

Reizen?

Sporten?

Rennen?

Op de grond kunnen zitten en weer gemakkelijk opstaan?

Ouder worden met zo veel mogelijk fysieke mogelijkheden?

Niemand weet precies hoe een lichaam zich in de toekomst zal ontwikkelen.

Training biedt geen garanties.

Niet iedere klacht is volledig veranderbaar.

En niet iedere lichamelijke beperking ontstaat uitsluitend door de manier waarop iemand beweegt.

Maar niets doen is ook een keuze.

Jezelf neerleggen bij steeds minder bewegingsvrijheid is ook een keuze.

En blijven trainen op een manier die je sterker maakt zonder je bewegingspatroon te verbeteren, is eveneens een keuze.

Daarom kan het waardevol zijn om jezelf af en toe af te vragen:

  • Welke bewegingen vermijd ik inmiddels?
  • Welke fysieke ongemakken ben ik normaal gaan vinden?
  • Heb ik mijn verwachtingen aangepast aan mijn lichaam?
  • Geloof ik werkelijk dat verandering niet mogelijk is?
  • Of ben ik teleurgesteld geraakt omdat eerdere oplossingen niet duurzaam hielpen?
  • Train ik om meer gewicht te kunnen verplaatsen of om beter te kunnen bewegen?
  • Zie ik verandering terug in mijn houding en beweging?
  • Wat zou meer bewegingsvrijheid mij opleveren?
  • En welk tijdelijk discomfort ben ik bereid aan te gaan om mijn mogelijkheden op de lange termijn te vergroten?

Comfort op de korte termijn is niet altijd vrijheid op de lange termijn

Niet ieder pijntje hoeft direct opgelost te worden.

Niet iedere asymmetrie veroorzaakt klachten.

Niet iedereen hoeft voortdurend aan zichzelf te werken.

En gezondheid betekent niet dat het lichaam altijd perfect moet functioneren.

Maar misschien hoeven we fysiek ongemak ook niet te snel weg te wuiven met:

“Het hoort bij het ouder worden.”

Misschien mogen we kritischer kijken naar wat we normaal zijn gaan vinden.

Misschien mag er voldoende gezonde irritatie, frustratie of ontevredenheid bestaan om niet te berusten in een lichaam dat steeds minder kan.

Niet vanuit afwijzing.

Niet vanuit schuld.

Niet vanuit de gedachte dat je lichaam niet goed genoeg is.

Maar vanuit de wens om zo lang mogelijk vrij te kunnen bewegen en volledig deel te nemen aan het leven.

En wanneer je besluit om tijd en energie in verandering te investeren, mag je ook kritisch zijn op de manier waarop je traint.

Want sterker worden is niet automatisch beter bewegen.

Meer belasting is niet automatisch een betere aanpassing.

En een lichaam dat goed kan squatten of deadliften, is niet automatisch beter voorbereid op de bewegingen die het gedurende een mensenleven het vaakst uitvoert.

Staan.

Wandelen.

Rennen.

Gooien.

Comfort op de korte termijn is niet altijd vrijheid op de lange termijn.

Soms begint verandering niet wanneer een klacht ondraaglijk wordt.

Soms begint verandering met een eerlijke vraag:

Ben ik werkelijk tevreden met hoe mijn lichaam functioneert, of ben ik eraan gewend geraakt?


 

Binnen Veerkragt kijken we niet alleen naar de plek waar een klacht wordt ervaren. Het lichaam functioneert als één samenhangend systeem. Training wordt daarom niet alleen beoordeeld op spierkracht, vermoeidheid of het gewicht dat iemand kan verplaatsen, maar op de invloed die zij heeft op houding en menselijke beweging.

Optimale beweging. Maximale vrijheid.


Bronnen

  1. Bruijn, S.M., Meijer, O.G., van Dieën, J.H., Kingma, I. & Lamoth, C.J.C. (2008). Coordination of leg swing, thorax rotations, and pelvis rotations during gait: the organisation of total body angular momentum. Gait & Posture, 27(3), 455–462.
  2. Lamoth, C.J.C., Beek, P.J. & Meijer, O.G. (2002). Pelvis-thorax coordination in the transverse plane during gait. Gait & Posture, 16(2), 101–114.
  3. Lamoth, C.J.C., Meijer, O.G., Wuisman, P.I.J.M., van Dieën, J.H., Levin, M.F. & Beek, P.J. (2002). Pelvis-thorax coordination in the transverse plane during walking in persons with nonspecific low back pain. Spine, 27(4), E92–E99.
  4. Eng, J.J. & Winter, D.A. (1995). Kinetic analysis of the lower limbs during walking: what information can be gained from a three-dimensional model? Journal of Biomechanics, 28(6), 753–758.
  5. Huang, Y., Meijer, O.G., Lin, J., Bruijn, S.M., Wu, W., Lin, X., Hu, H., Huang, C., Shi, L. & van Dieën, J.H. (2010). The effects of stride length and stride frequency on trunk coordination in human walking. Gait & Posture, 31(4), 444–449.
  6. Lamoth, C.J.C., Daffertshofer, A., Meijer, O.G. & Beek, P.J. (2006). How do persons with chronic low back pain speed up and slow down? Trunk-pelvis coordination and lumbar erector spinae activity during gait. Gait & Posture, 23(2), 230–239.
  7. Cholewicki, J., McGill, S.M. & Norman, R.W. (1991). Lumbar spine loads during the lifting of extremely heavy weights. Medicine & Science in Sports & Exercise, 23(10), 1179–1186.
  8. Eltoukhy, M., Asfour, S., Thompson, C. & Latta, L. (2016). Examination of a lumbar spine biomechanical model for assessing axial compression, shear, and bending moment using selected Olympic lifts. Journal of Orthopaedics, 13(3), 210–219.
  9. Ramirez, V.J., Buresh, R.J., Allen, A.M., Goss, F.L., Dalleck, L.C. & Campbell, B.I. (2022). Low back biomechanics during repetitive deadlifts: a narrative review. IISE Transactions on Occupational Ergonomics and Human Factors, 10(1), 1–14.
  10. Martinez-Calderon, J., Zamora-Campos, C., Navarro-Ledesma, S. & Luque-Suarez, A. (2018). The role of self-efficacy on the prognosis of chronic musculoskeletal pain: a systematic review. The Journal of Pain, 19(1), 10–34.
  11. Hayward, R. & Stynes, S. (2021). Self-efficacy as a prognostic factor and treatment moderator in chronic musculoskeletal pain patients attending pain management programmes: a systematic review. Musculoskeletal Care, 19(3), 278–292.
  12. Green, L.W. (2008). Making research relevant: if it is an evidence-based practice, where’s the practice-based evidence? Family Practice, 25(Suppl. 1), i20–i24.

LATEN WE CONTACT HOUDEN!

We houden je graag op de hoogte van ons laatste nieuws 😎

We spammen niet! Lees ons privacybeleid voor meer info.

Terug naar blogs